| Vanaf het onstaan wist men dat het leefgebied een voorname rol zou spelen in het welslagen van dit ras : |
|
Mijnheer de CHARNACE « Dit meesterwerk heeft in West-Frankrijk een fortuin opgebracht. Dit ras past zich geweldig aan aan onze grond en aan onze kweekmethodes. Om het even wat gaan wijzigen aan deze leefomgeving zou de zoölogische harmonie hiervan beschadigen en de exploitatie ervan volledig omgooien, kortom chaos ».
Mijnheer R. GOUIN « Het vlees van de Charolais is excellent maar daar men in de Anjou de Bourgogne cultiveert oogst men geen Chambertin ». « De ware voeding is de bodem. In dit opzicht is er geen enkele analogie tussen de jura-prairies van de charolais en de nivernais en de pâturages des schistes ardoisiers du Segréen ». |
|
|
|
De wieg van het ras situeert zich in de historische provincies van de Bas-Maine en de Haut-Anjou in Frankrijk, onder een gematigd klimaat, vochtig tijdens de lente en herfst, droog tijdens de zomer. De MAINE ANJOU bezit een groot aanpassingvermogen en werd met succes geëxporteerd naar regio's met totaal andere klimaateigenschappen. Weidegrond procurant du paturage en abondance zijn het meest aan te raden. |